De grafheuvel in Alem

‘Den Berg’
Wanneer u langs het voormalig Nederlands Hervormd kerkje (nu dakpannenmuseum) De Steeg ingaat, vindt u na 300 meter aan de rechterzijde het toegangshek naar de grafheuvel. Verscholen achter een hekwerk, tussen de struiken en enkele hoge bomen, ligt een steile heuvel. Mensen moeten daar wel de hand in hebben gehad, zo lijkt het. De meeste inwoners van Alem, zeker de wat oudere, kennen deze heuvel niet beter als ‘Den Berg’. Op de berg liggen enkele graven. Deze grafheuvel is opgericht voor de familie van Cornelis Schiffer, de oprichter van Steenfabriek Rossum.

Zes zerken
Via het toegangshek naar de grafheuvel kun je over het voetpad met de beukenhagen links schuin naar beneden lopen. Aan de rivierzijde is een versterkte muur met een stenen trap. Bovenaan op een groot plateau zijn zes grafzerken van ieder 1 bij 2 meter. Het zijn liggende stenen met alleen de namen en levensdata van de overledenen er op. Op de voorste rij in het midden ligt Cornelis Schiffer met aan zijn linkerzijde Geertruida Schiffer en aan zijn rechterzijde Pauline Geertruida Maria Jansen. Daarachter liggen nog drie graven van de familie Jansen t.w. Wouter Willem Boudewijn Jansen in het midden met aan zijn linkerzijde Jacoba Carolina Jansen en aan zijn rechterzijde Pauline Josephine Adelaide Jansen.

De stoffelijke resten van Cornelis Schiffer werden in 1873 per schip naar Alem gebracht, weet Toon van Boxtel nog te vertellen. De kist was zo zwaar dat een aantal Alemers werd opgetrommeld om deze naar de begraafplaats te brengen. Waarschijnlijk was de kist zo zwaar omdat er een dikke laag lood aan de onderkant zat, wat vroeger wel meer gebeurde. Omdat er mensen waren die dachten dat er kostbaarheden in de kist lagen, is er jaren later nog grafschennis gepleegd.

Op zoek naar een beter leven in Nederland
Wat bracht de familie Schiffer hier in Alem? De geschiedenis begint bij de vader van Cornelis Schiffer, Wouter Schiffer, een gereformeerde Duitser die in 1742 in de buurt van Mönchen-Gladbach is geboren. In de verwachting dat het hier beter zou zijn, kwam hij begin jaren ’60 naar Nederland. Bij hem thuis hadden ze het namelijk niet breed. In een hervormd register van het dorp Engelen (bij ‘s-Hertogenbosch) is de oudste vermelding van hem te vinden. De kerkgang in Engelen moet hem uitzicht geboden hebben op de oudste dochter van de schoolmeester, Geertrui van den Biesheuvel, waarmee hij 12 juni in 1771 in ondertrouw trad. Uit dit huwelijk kwamen veel kinderen voort. Op 23 februari 1793 werd als elfde zoon Cornelis Schiffer geboren. Vader Wouter Schiffer was inmiddels hoog op de maatschappelijke ladder geklommen. Zo is zijn naam onder meer in 1774 en 1780 genoemd als gemachtigde van de Heer bij verpachting en verkoop van land. In het jaar 1777 en 1781 is zijn naam genoteerd als burgemeester van de heerlijkheid Empel en Meerwijk. Via verpachting en grondverkoop leidde zijn spoor naar de dorpen Alem en Maren, waar zijn naam vaak werd genoemd bij allerlei transacties.

Op 24 november 1792 kocht Schiffer voor 2020 gulden, "eene aanzienlijke huijzinge" aan de Maasdijk in Alem, tegen de Piekenwaard. Het moet in die tijd het fraaiste huis van Alem zijn geweest, met maar liefst tien ramen, een aanzienlijk aantal grote vertrekken en een verdieping, waarmee het voor 45 gulden in de hoogste belasting klasse werd aangeslagen. Bij het huis was een ruime stalling voor de paarden, een tuin met boomgaard, een brouwerij en een melkerij.

Steenbakkerij Rossum
We maken een sprong in de geschiedenis naar zijn zoon Cornelis Schiffer, de oprichter van de steenfabriek, ook wel “Steenbakkerij Rossum" genoemd. Deze stond in die tijd nog in Alem, op Noord-Brabants grondgebied. Oude landkaarten geven aan dat de grens van Gelderland en Brabant kort langs de Maasdijk bij het buurtschap Rome liep om dan richting sluis St. Andries te gaan. De Alemers zullen het ongetwijfeld vreemd hebben gevonden dat even voorbij het Protestantse kerkje een grafheuvel in het vlakke land, dicht bij de voormalige Maasarm, werd opgeworpen. Ten tijde van de totstandbrenging van deze grafheuvel was dat nog de grensrivier. Ruim een eeuw later (in 1933) werd deze lange rivierlus afgesneden en is er een doorsteek gemaakt naar de buitenbocht van de Maas bij Kerkdriel. Bij Alem werd dwars door de rivier een dam gelegd die het dorp met Gelderland verbond. In de volksmond werd deze dam de ‘Alemse Dijk’ genoemd.

Voor de door hem opgezette steenfabriek liet Cornelis Schiffer in 1837 de eerste arbeiders naar Alem komen. Als gevolg daarvan “wies het aantal zielen weldra tot nabij de 100”. Frappant is dat hij alleen protestantse werklieden in dienst nam. Omdat die niet voldoende in de buurt te vinden waren, haalde hij ze dan maar uit de Bommeler- en Tielerwaard. Zij kregen huisvesting in het grote huis in Alem. Ze moesten natuurlijk wel ingeschreven worden bij zijn Hervormde gemeente. Gevolg daarvan was dat Schiffer in zijn functie als diaken en kerkvoogd (1820-1844) van de Hervormde kerk op 1 januari 1843 een protestants zielenaantal van 86 wist te behalen in het overwegend katholieke Alem.

In 1849 werd zijn neef Jansen mede-firmant van de steenfabriek. Jansen en zijn katholieke Belgische vrouw woonden aanvankelijk bij de fabriek temidden van medewerkers van de steenfabriek. Nadat het huis van Schiffer rond 1870 drastisch onder handen was genomen, vestigden de Jansens zich in 1873 in Alem. Inmiddels had Jansen in 1870 toestemming gekregen om achter de grote tuin van het landgoed een familiebegraafplaats aan te leggen. Vanwege geldgebrek is de gewenste uitkijktoren op de grafheuvel er nooit gekomen en later bleef het onderhoud ook in gebreken. Gelukkig ontfermde de gemeente Maasdriel zich erover.

Ongeveer op de plaats waar destijds het Schiffer-Jansen-landgoed stond, staan nu de boerderij van de in 1995 gestorven paardenfokker Harrie Hanegraaf en schuin daarvoor de woning van zijn neef Hans Hanegraaf.

 

Onderdeel van Lith
In het archief van de Hervormde kerk wordt in 1819 de naam van Cornelis Schiffer vermeld. Daarbij staat dat de Alemse N.H. kerk deel moest uitmaken van de kerk in de gemeente Lith. Dit gebeurde op last van de Koning der Nederlanden omdat Alem zo klein was. Uit allerlei archiefstukken blijkt dat

Cornelis Schiffer niet vaak naar de kerk in Lith ging. Herhaaldelijk heeft hij getracht de Alemse N.H. kerkelijke gemeente los te weken van die in Lith. De Alemse kerk was zelf eigenaar en bestuurder van de benodigde fondsen voor de diaconie en kerkvoogdij. Hij rapporteerde ook zelfstandig aan de hogere kerkelijke organen. Vermeldenswaardig is verder nog dat Cornelis Schiffer ook in de Landspolitiek is gegaan. In 1853 werd hij als lid van de Tweede Kamer gekozen. Ook heeft hij tal van andere hoge maatschappelijke functies vervuld.

Dochter van de dominee
Henk Wijgerse uit Rossum, wiens vader de laatste koster in het Alemse kerkje was, heeft de informatie voor dit hoofdstuk verzameld. Daarvoor maakte hij o.a. gebruik van de artikelen die onderzoekster en schrijfster Drs. Louise van Tongerloo in “Tussen de Voorn en Loevestein” publiceerde. Zij was een dochter van de Hervormde predikant van Lith en wel van 1934 tot 1944. Dominee Van Tongerloo verzorgde ook de kerkdiensten in Alem. Bij een bombardement van de kerk in Lith verloor de geliefde predikant door rondvliegende glassplinters het licht uit beide ogen.